de nummers tussen haakjes verwijzen naar aantekeningen bij de tekst, klikt u op zo'n nummer dan komt de betreffende aantekening tevoorschijn

Eerste fragment: de inpoldering van de Zijpe

Nu wij hier toch bezig zijn met de materie van nieuwe inpolderingen, wil ik u een uiteenzetting geven omtrent een vreemde en buitengewone bedijking.
Ik ben ontboden in het jaar 1552(1) in de zomer na de Pontiaansvloed bij de aangevangen indijking van de Zijpe bij het Hondsbos in Holland(2), nadat de goede heer Nicolaas Nicolai daarvoor veel onkosten had gemaakt en verliezen had geleden en nadat nagenoeg het gehele plan voor de bedijking uit het gezicht was geraakt; evenwel was ik bij het begin van het plan niet gehoord, want zou ik er bij de eerste gedachtenwisseling bij geweest zijn, voor men enige kosten daarvoor gemaakt zou hebben, dan zou ik het naar vermogen ontraden en geweigerd hebben.
Komende te Schagen, waarheen ik schriftelijk was uitgenodigd, ontmoette ik Jan van Schoorl(3), kanunnik te Utrecht, die opdracht had mij de bedijking te tonen en daarin rond te leiden. Wij trokken van Schagen naar de Keins, waar ik binnen de bedijking een aanslibbing vond van voldoende geschikte hoogte in een watervlakte die zich in de richting West-Zuid-West uitstrekte tot voorbij Krabbendam, waarbij de aanslibbing rondom een steile oever had. Door het water was men begonnen een dijklichaam te maken en dit water was niet zo diep of men kon er met paarden doorheen rijden en het volk werd overgezet met kleine pramen.
Toen wij aan het einde van voormeld dijklichaam kwamen, dat meer dan 300 roeden lang geweest zal zijn, waar ons wagons kwamen afhalen, en omdat ik meende dat voormeld water niet anders was dan een afvoergeul of kreek, verwachtte ik aan het eind van voormeld slikkerdijklichaam een fraaie aanslibbing te vinden, zoals ik al gedeeltelijk in het water had gezien, maar ik zag voor mij uit westwaarts en noordwaarts niet anders dan vliegend duinzand over grote lengte en breedte, terwiji zich in hetzelfde slikkerdijklichaam twee nieuw aangelegde sluizen bevonden, die voor een deel doorgescheurd waren, waaruit ik wel moest afleiden, dat dit het begin van de bedijking was.
Nochtans kon ik niet nalaten aan voormelde Schoorl te vragen of wij nog ver van de bedijking waren, waarop hij mij ten antwoord gaf dat wij op de bedijking stonden en dat zij het zand indijken wilden,
waarover ik mij zeer verbaasde, en ik begeerde van hem te weten wat zij met het zand beginnen wilden. Maar doordat wij nu de wagens bij ons hadden, die door het water gekomen waren, kwam ons gesprek ten einde en reden wij zo langs het strand waar hier en daar op verschillende plaatsen dijklichamen van zand begonnen waren, op afstanden van honderd, dan weer vijftig, dertig en twintig roeden van elkaar, zonder dat daarbij van een ordelijk bedijkingsplan of bestekken was uitgegaan, waarbij het ene stuk aansluitend aan het andere zou worden gestort. Maar men had dit nagelaten en van een open zeegat vele en verschillende kleine gaten gemaakt, waartussen de vioed of opgestuwd water zijn kracht zou kunnen tonen, zodat het er op aangelegd was dat tussen elk gat een wiel zou ontstaan en een diepte zou worden uitgeschuurd. En zo vervolgens zagen wij niet anders dan zulke wanorde en ongeregelde bedijkingsactiviteiten.
's-Avonds wederom te Schagen komend, wist ik niet hoe in deze kwestie te adviseren en of ik de voormelde bedijking zou afslaan of aannemen, omdat er al te grote kosten voor waren gemaakt. Ik wilde niettemin van Schoorl weten wat de uiteindelijke bedoeling was, waar toe zij de bedijking hadden ondernomen en weike winst zij met het zand wilden maken.
Hij antwoordde, dat hij daar gerust op was en dat ik nergens anders voor ontboden was dan om orde te scheppen in de werkzaamheden en om voorzieningen te treffen voor de te verwachten gevaren, welk antwoord mij zeer aangenaam was.
In het afmaken van bedoelde bedijking zag ik geen bijzonder risico, want het water of de vioed kwam soms in acht, negen, of tien getijden achtereen niet eens tot de dijk en het zouden grote opstuwingen moeten zijn, voor deze enige schade aan de dijk hadden kunnen doen. Zij, die er in het begin bij geweest waren en wat van onze bedijkingsmethoden gezien hadden, waren - God zij geloofd! - begonnen met het maken van kaden over een grote lengte buiten de voormelde zanddijken verder strandwaarts met horden, hooi en stro en zand daarop,waarvoor zij grote nutteloze kosten gemaakt hadden, die evenveel nut opleverden alsof zij te Hoboken op de hei gelegen hadden, want binnen genoemde dijk lag het zand vier of vijf voet diep en zo was het ook buiten die dijk zodat het nuttig geweest zou zijn, dat bedoelde dijk de rol had gespeeld van een kade en dat men alle materiaal van binnen, namelijk het zand tot aan de zanddijk, bovenaf van de klei had afgegraven.
Niettemin, weike putten men van binnen ook had leeggekard, als de wind oostelijk of noordwestelijk of ook zuidoostelijk gewaaid had, dan zouden bedoelde putten wederom vol gewaaid, en ondergestoven zijn bij droog weer en zonneschijn, zo vol en vlak, dat wie daar op was gaan lopen erin gestikt zou zijn. En dat zand zou zo blijven liggen tot er een flinke regen kwam, waardoor het dan hard wordt. En daarom komt hier wel van pas het gezegde van mijn heer Jan de Oude(4), Heer van Bergen op Zoom, die - door koning Philips de Schone gevraagd wat hij voor een land had - Zijne Majesteit antwoordde met deze woorden:

C'est Ie pays de turelure,
Quand il pleut il y fait dure,
Quand il est sec il est molle,
Au grand vent il s'envole.

Dat is:

Het is het land van turelure,
Als het regent is het hard van nature,
Als het droog is, dan is het zacht,
Het verwaait bij dag en bij nacht.

Om. nu mijn opdracht verder uit te voeren en de begonnen zandige inpoldering een einddoel te doen hebben, verordonnneerde ik, dat men alle gaten continu zou aanbesteden tot zes voet hoog, er beneden drie roeden van makend aan de basis, van boven tonrond, en aan eike zijde een gelijke helling van aflopend zand (want men zou er geen vierkant op hebben kunnen storten), teneinde alle reeds begonnen dijken tot een geheel te maken en aan elkaar vast te storten. En om dit te doen deed ik aanbestedingsbiljetten naar alle kanten uitzenden, waardoor ik in korte tijd meer dan duizend paarden aan het werk kreeg, waarbij ik al het zand van binnenuit wegnam, wel wetend dat men de dijkers daar een plezier mee deed, dat men het zand van de klei afvoerde, maar ik gebruikte ook mede zand van buiten. De karren, die wij daarvoor hadden laadden en losten zichzelf; het waren slechts brede plankieren(5) van 21/2 of 3 voet breed en 4 voet lang, op de wijze van een tafelblad, in de lengte van voren scherp gemaakt en in het vuur enigszins verhard, daarin bevestigd twee ijzeren ringen, bijna bij de uiteinden, waar de paarden aan gespannen waren en aan trokken, terwijl er een handvat in het midden aan de planken zat, dat men optilde om de scherpe kant in het zand te drukken, totdat de plank vol opgehoopt zand was; dan liet men het handvat zakken en sleepten de paarden het zand naar de zanddijk; daar aangekomen tilde men het handvat omhoog en met een koord dat onder de ringen vastzat trok men de planken om en men liet de paarden buitenom de dijk afgaan, het zand daar achterlatend, en wederom van buiten opkomend laadden en losten zij zichzelf, zoals hiervoor omschreven.
Ik zeg erbij dat de plank wel een goede karrevracht zand kon houden, zodat de paarden en de werklieden weinig leeg stonden en niet hoefden te wachten op het lossen en laden. Maar wat moest er voor zulk een werk grote kosten aan kaden gemaakt worden, terwijl er weinig water tot aan de dijk kwam. Maar ik zeg erbij, dat onverstandigen, die geen of weinig ervaring hebben met bedijken, hun opdrachtgevers veel onnodige kosten bezorgen. De kaden dienen alleen te worden aangelegd in polders, waar goed land wordt ingedijkt, omdat men binnendijks de vette aarde niet moet wegnemen en er een zandvlakte van maken. Omdat het voor u moeilijk zou zijn het laden en lossen van de voren bedoelde zandkarren te begrijpen, heb ik het u willen demonstreren met de volgende figuur.

(Figuur ontbreekt in manuscript)

Toelichting op de figuur.
U ziet het model van de karren die zichzelf laden en lossen en hoe men aan de achterkant het handvat opheft om zo de planken vol zand te schrapen en te laden en als de plank vol is, dan laat men het handvat los tot gij boven op de dijk komt, dan trekt gij aan een touw en slaat de paarden, dan moet de plank opwippen en zichzelf leegstorten en zo blijft het zand op de dijk waar gij wilt lossen.
De ringen vooraan de plank daar trekken de paarden aan en twee paarden zijn voldoende om de plank te trekken, als hij op die wijze met zand is geladen.
En omdat men in het zand geen paarden kan weiden, daarom bracht een iegelijk zijn wagen mee, geladen met voer en proviand voor de paarden, die daaraan stonden vastgebonden en aten uit de borden, wagenleren en planken en 's nachts was dit het onderdak van de arbeiders, opzichters en wagenbestuurders. En als het voer op was moest iedereen naar huis gaan om voer te halen. Als ge het bedijkingswerk gezien had, dan zoudt ge gezegd hebben, dat ge in een legerkamp geweest was.
Daar de paarden dagelijks stonden te vreten en mest te maken, was het daar een beetje begroeid van de haver, die daaruit opkwam. De ondernemers van de Zijpe putten daar moed uit. De haver die daar stond was redelijk mals en dat kwam door de warmte en de mest van de paarden, waardoor nog menig koopman en brave mensen bedrogen zijn uitgekomen.
Schoorl gaf mij de raad mijn landerijen en bezittingen in Brabant te verkopen en mijn geld daar te investeren, maar ik hield mij aan één oor doof. Men schonk mij honderd morgen land voor mijn bewezen diensten, maar ik was even vrijgevig als zij en schonk het hem terug in ruil voor 6 carolus guldens per gewerkte dag plus onkostenvergoeding, daarmee heb ik evenveel ontvangen(6).
Wij zullen nu verdergaan met de rest van de bedijking en daaruit de toestand verklaren van de aanneming van deze bedijking en van het binnengedijkte land (of het zand, zo kan men het ook noemen), welk profijt de ondernemers daarvan hebben gehad.
Veel nutteloze kosten werden gemaakt bij het graven van vaarten, watergangen en sloten, die weer met zand dichtwaaiden en -stoven, zoals ik heb gemerkt aan de zandputten, die wij van binnen en buiten de dijk uitgegraven en weggekard hadden, die binnen 14 dagen of 3 weken weer glad waren dichtgestoven en -gewaaid met zand.
Er kwamen ook ongeregeldheden voor onder de arbeiders en dijkwerkers, waaraan de aannemers en uitvoerders hadden toegezegd hen kruiwagens, planken en andere instrumenten te leveren op kosten van de onderneming, waardoor de vandalen dikwijis de kruiwagens in stukken braken en vernielden, zodat ze daar een halve dag zonder werk zaten tot men hen andere kruiwagens en gereedschappen gebracht had. En niettemin liepen hun daggelden voortdurend door. Deze dijkwerkers brachten bedoelde bestuurders van de bedijking op een dwaalspoor door te zeggen dat dit in Zevenbergen, Steenbergen en elders ook zo gebruikelijk was. Maar omdat ik hen daarin controleerde werden dit soort arbeiders in verwarring gebracht en daardoor waren zulke ongeregeldheden verholpen. Ze zouden al hun kruiwagens gebroken hebben om dan verder leeg te lopen.


Het zand dat in de Zijpe lag was zeer verschillend van hoogte en diepte, te weten: van het strand af oostwaarts naar St. Maarten, te beginnen bij de zeedijk lag het zand wel 4 en 4
1/2 voet boven de klei, soms wel 5 voeten, geleidelijk zowel van noord als zuid oostwaarts gaande kwam het op 3 voet, daarna 2 voet en zo verder afdalend naar St. Maarten 11/2 voet, dan 1 voet en vervolgens tot aan het water 1/2 voet, zodat daar kennelijk uit blijkt, dat de duinen de Zuiderzee in gewaaid zijn, die omtrent de Keins en Schagen zeer ondiep is. Deze Zuiderzee stond nog gedeeltelijk onder water van de Keins af tot Krabbendam toe. Dit water was voorbestemd om binnen korte tijd met zand te verstuiven en dicht te waaien. En dat zai nu te meer gebeuren aangezien men dit water drooggelegd en daar land van gemaakt heeft. Maar naar mijn mening, die ik altijd geef voor een betere, zou het nuttig geweest zijn als men de hoofddljk gelegd had op een zanddiepte van 11/2 voet om het zand, dat dagelijks van de duinen genaamd Groot Ketelduin en Klein Ketelduin en ook van het zeestrand afvliegt, tegen aan te laten stuiven en af te schutten. Dan zoudt gij, mits twee steek diep gravend, een halve steek klei boven gebracht hebben en zo bijna de helft tot goed land hebben gereed gemaakt, waarmee gij dan de andere helft westwaarts had kunnen voeden en met mest verbeteren.
Zover zijnde met de bedijking waren wij begonnen de zeedijken tot duinen om te vormen, daarop riet stekend dicht opeen, zodat het zand, als het aan het stuiven en jagen was achter het zo gestoken riet, moest blijven liggen, doordat het riet aan de wind zijn kracht benam. Zo werd het op een nacht achter het riet zoveel hoger, dat men door steeds het riet weer uit te trekken en dicht opeen te steken
gemakkelijk een hoog duin gemaakt zou hebben, welk duin men op zijn beurt, zo gauw dit ging vervliegen, met het poten van helm moest steunen en behouden.
't Water dat ligt tussen de dijk van de Keins, St. Maarten en Krabbendam, water van ongeveer
1/2 voet diep, is van onderen goede stevige klei. Er groeit daar een kruid genaamd wier, evenals het dat doet in de Zuiderzee en het is van dezelfde soort, want het is ervan gescheiden doordat de Slikkerdijk door het water is gelegd. Dit water zou ook met zand verstoven zijn, zoals ik al gezegd heb. Evenwel zou dat geen kwaad gekund hebben want deze klei - met zulk fijn zand vennengd - zou een gemakkelijk te bewerken land hebben opgeleverd. Dit zand is zo fijn, dat het de mensen door de kousen heenstuift.
Het hele poldergebied is zo vlak zonder hoogten of heuvels, kreken of waterlopen, - behalve alleen aan de zuidkant waar de Zuiderzee voordat de Slikkerdijk gelegd was westwaarts op een andere zee doorzijpte (en daarnaar heet het land nu nog de Zijpe) welk zijpen nu onmogelijk is geworden door een schinkeldijk, gelegd aan de noordkant van de bedijking, aansluitend aan Callantsoog - ik zeg nogmaals dat de polder zo effen met zand is bestoven dat ik vaak een hoepel van een bierton uit de hand voor de wind heb zien rollen,die als hij aan het lopen was en de wind hem voortdreef een mijl of 1
1/2 overeind bleef, zodat een man hem niet had kunnen bijhouden tot hij ergens water of een ander obstakel ontmoette.
Waar de ondernemers van deze bedijking hun vertrouwen op gesteld hebben is dit: ze hebben veel en verschillende weiden gezien, waar men zeer schone vette ossen op weidde omtrent Schoorl, Haarlem en 's-Gravenhage, hetgeen ook niet anders dan zanderige gronden zijn, maar deze worden met vette poortaarde of straatmest(7) bemest; ook zijn de grondlagen eronder moeras- en veenachtig, hetgeen altijd vocht toevoert, en de poortaarde of straatmest is zo heet op zichzelf, dat het de grond zo verwarmt, dat deze daardoor wel begroeid raakt en niet anders dan klaver draagt. En deze poortaarde of straatmest is daar niet te krijgen, daarop hebben deze ondernemers geen acht geslagen.
En hoewel ik vele verschillende bedijkingen heb behandeld, heb ik nochtans van deze bedijking niets begrepen, daar ik heb gehoord dat men in deze Zijpe is begonnen zand te zieden en ook eerder lang heeft gezoden, waarbij ik niet weet of bij dit zandzieden een produkt tot stand komt of niet(8). Als dat het geval was, dan zou het de subtielste en fraaiste vorm van alchemie zijn waar men ooit van heeft kunnen spreken. Zo doende zou het zand van de klei worden afgevoerd en deze klei zou men dan op geschikte wijze kunnen kultiveren. Er zou ook as bij vrijkomen om de weiden daarmee te bemesten. Men vindt veel ingenieurs die wonderlijke dingen prakkezeren. Zo hebben sommige bedacht dat ze hun zanddijken met water begieten opdat ze hard zouden worden. Ik heb het dus hiervoor zo slecht nog niet gezegd, dat het is het "land van turelure, als het nat is, dan is het hard van nature" enz .!

De voornaamste bestuurders en dijkmeesters van de bedijking, die ik tegenkwam bij mijn eerste komst, waren de Utrechtse kanunnik Schoorl, Oomken uit Brussel en Mr. Lucas van Schilder, die nooit een bedijking gezien hadden. Daarna kwam erbij ene Servaes de Haese, koopman uit Antwerpen, die in Kruiningen in Zuid-Beveland had leren dijken tot zijn groot verlies, die vreemde opinies naar voren bracht; de Slikkerdijk lag namelijk op een zachte ondergrond, waar de dijk wat door-zinken moest; deze De Haese hield vol dat men het slijk onder uit de basis van de dijk wegkarren moest om voor de dijk zo een hard fundament te maken, min of meer of de dijk aan een zijden draad in de lucht zou blijven hangen en of de dijk zo dwaas zou zijn geweest, dat hij deze harde grond niet zelf zou hebben kunnen vinden. En niettegenstaande deze dijk het slik weggedrukt zou hebben door zijn eigen gewicht en persen zonder kosten, toch moest zijn opinie worden doorgevoerd, niettegenstaande enige protesten, die ik bij hem naar voren bracht, en dat ik aanbood zelf borg te staan voor de dijk dat deze zo wijs was, het gewenste effect zelf wel te veroorzaken zonder kosten te maken.
Deze Haese was ook van mening dat men nog meer zand indijken en geld voor niets uitgeven moest in de buurt van Petten, alsof zij niet al genoeg zand ingedijkt hadden. Dat noemen zij nu de Haesenpolder(9). Het zou beter en geschikter zijn dit
de Dwazenpolder te noemen, gemaakt met veel onkosten zonder opbrengst. Toen ik dit voorstel zag en veel soortgelijke kluchten, terwijl ik brieven ontvangen had dat de dijk onder Steenbergen sterk geruïneerd en doorgebroken was, hetgeen onder mijn dijkgraafschap viel, door grote storm en onweer - en deze storm deed ook zoveel geweld aan de dijk in de Zijpe, dat als de afdichtingen van alle gaten als bedoeld niet waren gelegd en gemaakt, dat ze dan alles verloren zouden hebben - daarom moest ik nodig naar mijn huis in Steenbergen naar mijn dijkgraafschap reizen om daar orde op zaken te stellen nadat ik mij gedurende zes weken onafgebroken voor de bedijking van de Zijpe had vrijgemaakt.
En eenmaal in Steenbergen zijnde kreeg ik ecu langdurige ziekte, zodat ik sinds die tijd niet meer in de Zijpe geweest ben. Weike soep zij er daarna van maken, kan ik u niet verder beschrijven(10).
Toen ik nog in deze bedijking van de Zijpe was, kwam daar een kwibus met filosofische denkbeelden, schoot Nicolai aan en duidde hem uit, dat hij een manier had gevonden om de hele dijk van de Zijpe voor een lage prijs tot stand te brengen, maar hij wou het niemand zeggen voor hij als eerste kontante betaling 100 kronen had ontvangen. Bedoelde Nicolai, de kanunnik Schoorl en anderen zouden daarnaar geluisterd hebben als ik het ze niet meteen had ontraden, zeggend dat het enkel beuzelarijen waren. Niettemin wist bedoelde Nicolai, begerig om de zaak te weten te komen, de filosoof zo ver te brengen, dat hij de 100 kronen tot 9 terugbracht, zodat hij met zijn verhaal voor de dag kwam en ons adviseerde om alle lege wijnvaten, waar men langs de Rijn en te Keulen de hand op kon leggen, op te kopen en deze gevuld met zand overeind te zetten bij wijze van borstwering tegen het opkomen en voorwaarts stormen van de zeegolven en zeewateren, die zouden menen met zwaar geschut te worden ontvangen. Deze filosoof had slecht gestudeerd en er niet aan gedacht dat de wijnvaten en hoepels zouden verrotten en vergaan zowel van het water als van de hete zon en ook dat de wijnvaten elkaar van onderen niet zouden raken omdat ze in het midden buikig zijn, zodat van onderen kijkgaten open zouden zijn gebleven waardoor de zee landwaarts zijn loop genomen zou hebben en uiteindelijk alles zou hebben vernield en omgegooid. Bedoelde filosoof had een goede dagreis en werd voor zijn vernuft wel duur betaald. Dit soort argumenten worden ons wel meer voorgehouden, vooral door gestudeerde lieden, die hun hoofd gebroken hebben met argumentaties en drogredenen, waarop men niet hoort acht te slaan, want ze hebben Neptunus nog nooit boos en lelijk zien doen.
Over de Slikkerdijk moet ik nog wat vermelden, want het is een vreemde manier van bedijken, en daarmee neem ik dan afscheid van de Zijper bedijking. Voormelde Slikkerdijk was omtrent 1000 roeden(11) lang, zoals gij op bijgaande kaart kunt zien, komende van de Keins ofwel van het oosten westwaarts door het water lopend tot aan het zand. Deze werd gemaakt met kleine pramen, dit zijn schuitjes, die niet diepgaan en die kunnen drijven op de Zuiderzee waar het wier groeit. Eike schuit had maar een arbeider, die met haken, waaraan brede ijzeren tanden, het slik met het daarop gegroeide wier van de bodem van het water trok en hij plaatste dan het wier met het slik in de praam.
Het wier kan een voet en langer worden en ligt op het water en bij het neerzetten in de praam wisten de arbeiders het met een draai op elkaar neer te leggen, zodat het slik niet aan elkaar bleef hangen omdat er telkens een laag wier tussen zat. Als dan dit slik met wier droog was, was het een heel taaie materie, waar het water niet gemakkelijk vat op kon krijgen en als de dijkwerkers de dijkhelling nu maar onder de waterlijn glooiend wisten te maken of dit ook wilden, zou dit werk onvergankelijk zijn. Maar zij maakten hun dijk met traptreden, van onder tot boven aan de kruin, elke trede 2 of 3 voet hoog, waartegen de zee dan kracht heeft omdat de steilte de zee geen speling geeft, zodat alle bochten in de oude dijk die gij op de kaart kunt zien veroorzaakt moeten zijn door het breken van de trapdijk, want de steilte doet het water kracht krijgen en in eike steilte van de trap vindt het water weerstand. Men kan een dijk niet beter bestand maken tegen het water, dan door het veel speling te geven, maar dan moet de dijk ook des te hoger zijn in verband met het omhoog komen van het water, dat door de lange helling meer zijn gang kan gaan.
Wier noemt men het kruid dat op het slik groeit waar de vogels in gaan roeren en hun voer zoeken aan de wortels, waardoor ze dit wier en kruid los en drijvend maken. Dit kruid is dunkt mij hetzelfde als waar men het glaswerk dat uit Venetie komt in verpakt. De pastoors in Waterland in Holland bidden gewoonlijk op de preekstoel dat de vogels wel mogen broeden om des te meer het voormelde kruid in menigte te doen drijven, wat dan met het zeewater wegstroomt en wat de schippers als het daar de tijd voor is dan op komen vissen en verzamelen in hun schepen en wat ze dan duur verkopen om bedoelde trapdijken te onderhouden. Men legt op elke trap het wier in een dikte gelijk aan een halve wolzak, zodanig dat als het water bij stormen omhoog komt het daarop zijn kracht breekt als op een wolzak, zodat het geen schade kan doen. Bedoeld wier kan 10 jaar in het water liggen zonder te rotten en is wit als een doek als het bestorven is, wat ik geconstateerd heb bij het opgraven van grond.
Als men de dijken behoorlijk glooiend had gemaakt onder de waterlijn en de slikker geplaatst met wier daardoorheen gewerkt, zo'n dijk zou onverslijtbaar zijn geweest en 10-maal beter en sterker dan gekramd. Hot zou maar een experiment geweest zijn als de landlieden het met 8 of 10 roeden hadden willen proberen. Maar neen, zij wilden er niet van horen toen ik hen ertoe aanspoorde. Slikker is wier en slik tezamen aan een stuk uit de grond getrokken en wier is alleen het kruid, door de vogels losgemaakt zoals beschreven.
Nu wij hier afscheid nemen van de bedijking van de Zijpe en een en ander wat moeilijk te begrijpen is, heb ik u wel een kaartje willen tekenen en aan de hand daarvan een kleine uitleg geven.

(Kaart ontbreekt in manuscript)

Uitleg bij de kaart van de Zijpe.
Gij ziet aan deze kaart dat de bedijking van de Zijpe slechts een inham is van het water van de Zuiderzee, die geleidelijk en in de loop van de tijd dichtgegooid en toegestoven is door het verwaaien en verstuiven van de duinen, zoals blijkt uit de resten van het Groot en Klein Ketelduin. Westwaarts vanuit zee is het zand het hoogste en ligt het het diepste en zo vervolgens afdalend tot aan de dijk van St. Maarten, waar het water nog niet met zand was dichtgestoven.
Noordwaarts hebt gij het begin van de Zuiderzee en dit is met een slikkerdijk afgesloten zodat het een gelijksoortig gebied van drooggevallen gronden, waterstromen en wierbegroeiing is. Op dit water verblijven veel vogelaars, zowel van zwanen als van eenden. Ik heb mij laten vertellen dat er een zwaan gevangen was uit Friesland. De Heer(12) waaraan deze zwaan toebehoorde, uit Friesland daar voorbijkomende, herkende zijn merkteken en na de zwaan gekocht te hebben, liet hij ze wederom in Friesland op zijn zwaandrift vliegen. Hieruit blijkt dat door het gevogelte het wier los en drijvend gemaakt wordt.
Oostwaarts zijn er veel schone weiden en de mooiste koeien die men kan vinden, waar men per stuk 7 of 8 ponden Vlaams(13) voor durft te vragen en ik heb daar horen zeggen dat een koe, als die 's avonds op de gors gebracht was en men kwam die 's-anderendaags zoeken, dat ge ze niet zoudt zien, zozeer was het gors in een nacht gegroeid. De weide is zo voedzaam, dat er een schaap geslacht is, dat 40 pond vet bevatte. Ik houd het ervoor dat dit de ondernemers van de Zijpe heeft doen besluiten tot indijking, menende dat als dit er zo toeging dat het met het zand wel mee zou vallen. En dat dit de koopman bedrogen heeft is eensdeels de reden, maar ook dat Schoorl en consorten de slik uit de grond trokken, hetgeen vette aarde was en dit in tonnen opsloegen en die op de Beurs te Antwerpen toonden. Bij mij kwam eens iemand per postpaard gereden van Antwerpen naar Steenbergen, om mijn advies te vragen wat ik hem aanried, of hij in de bedijking 1300 ponden Vlaams zou investeren. Ik vroeg hem of hij de Zijpe gezien had. Hij antwoordde: neen. En toen ik hem vervolgens vroeg of hij zijn bruid getrouwd had zonder die te zien, antwoordde hij; wel degelijk heb ik die gezien. "Waarom wilt ge er dan een trouwen die in een ton is opgesloten? Wat weet ge ervan hoeveel winst ze opbrengt en hoe groot en voordelig ze is?" Het antwoord bevredigde hem en dus bleef hij buiten de bedijking, wel tot zijn voordeel, anders was hij in de kaars gevlogen. Daar is menigeen mee bedrogen. Ook artsen uit Leuven en advocaten zijn er bij betrokken. Men zegt gewoonlijk: "geld van praktijken wil niet dijken".
Zuidwaarts zijn er ook schone graslanden en weiden en in het zuidwesten de duinen. Ten noorden daarvan ligt het Hondsbos, hetgeen een wonderlijk gewrocht is van hout, stenen, rijshout en bekisting tegen de grote aanvallen van de zeebaren en het opsteken van de winden, die dikwijis over de dijk slaan min of meer alsof het in Petten in het dorp dagelijks regent. Het was daar een barre toestand zoals wij nader zullen verklaren als we toekomen aan het toelichten van de werken in West-Kapelle in Zeeland, hetwelk een soortgelijke onderneming is.
Westwaarts hebt ge het zeestrand en noordwestwaarts de Ketelduinen en het dorp van het Oog, waar men veel drogevis van scharretjes, roggetjes, scholletjes en andere soorten vis droogt. Men weidt er schapen zoals men dat ook doet tussen Bergen op Zoom, Huibergen en Putte, het is een gelijksoortig gebied van hoogten en duinen, waar ook in de duinen helm groeit evenals het dat doet omtrent de Zijpe, en als ik zand bedijken wou dan zou ik de duinen tussen Bergen op Zoom en het voormelde Putte ontginnen, daar hoeft ge ook Neptunus niet te verwachten. Niettemin, zand is zand, ik houd mij aan de klei. Maar het poldergebied van de Zijpe is vlakker zoals al eerder gezegd. Welke vruchten het nog heeft voortgebracht, daar weet ik niet veel van te zeggen sinds de zomer van '53 maar ik houd het er wel voor dat het water bij St. Maarten, hetwelk nu land is naar ik verneem, enigszins aan de verwachting heeft beantwoord. Ook de rest westwaarts tot halverwege de polder toe zai het wel doen, ten koste van zeer zware investeringen.
Maar verderop waar het zand 41/2 voet diep ligt eer ge aan de klei komt, hoe zai men daar de klei boven kunnen krijgen? Daar heb ik geen goed vertrouwen op. Onze bedijkingen in deze streek brengen immers terstond vruchten voort, en een kuub zaad of tarwe per jaar, daar kan men mee naar de markt gaan en als de meekrap goed opbrengt dan triomfeert de landman en wordt behoorlijk rijk. Ik heb eens een winst gemaakt van 3 gemeten(14) meekrap boven alle kosten, in 2 jaren volgroeid, meer dan duizend carolusguldens en ik vrees dat de hele Zijpe boven alle kosten niets heeft opgeleverd.
Had men een bedijking willen schilderen met de vruchten daarop groeiend, dan was Schoorl daar de goede man voor geweest. Hij was begonnen een soort cement te ontwikkelen, waar men de Hondsbosse zeewering mee metselen en onderhouden zou. Daartoe had hij een plan ontworpen om alle oude kabels en touwen te kopen van de haringbuizen, hulken en andere grote schepen, daar zou hij netten van gemaakt hebben, aan elkaar verbonden zoals men dat met netten doet, om een fundament te maken in de zee bij het Hondsbos, waar hij op metselen zou. Maar het was net de tonnen zand tegen de zee gebruikt zoals boven beschreven. Ik heb een groot boek gezien, waar hij al zeven kerken in geprojecteerd had, die in de Zijpe zouden moeten staan(15), de een rond, de ander driehoekig, maar het was het vel verkocht eer de wolf gevangen was. Zulke vreemde opinies deden in de ontginning de ronde en zij die daarin deelnamen kregen een vreemde nasmaak, het heeft sommigen niet weinig gekost. Wij zullen dit onderwerp nu laten varen en doorgaan met onze materie. Evenwel moest ik dit hier te pas brengen vanwege de vreemdigheid en om te demonstreren, dat intelligente en ervaren dijkgraven veel schade kunnen voorkomen en dat niemand een bedijking behoort te ondernemen, tenzij hij daarin volledig thuis is.


Tweede fragment: een sluis verplaatst.

Het is mij overkomen bij de bedijking van de Zijpe in het jaar 1553 bij het leggen van twee sluizen in de Slikkerdijk, die te voren van het land waren weggedreven, weike sluizen ik opdracht gekregen had te verplaatsen, en toen ik zover gekomen was, dat ik meende aan de fundering te kunnen beginnen met het leggen van de vloerdwarsbalken, toen bevond ik de grond zo vochthoudend en zanderig, dat deze balken niet vast konden komen te liggen.
Gelukkig vond ik daar, aangespoeld op het zand, zeer grote stukken veen, die op de Pontiaansvloed in het jaar daarvoor aan de dijk van Schagen en op het zand met de stroom waren komen aandrijven, die een jaar daar hadden liggen drogen en mij zeer wel van pas kwamen. Ik nam het bedoelde droge veen en deed dit goed in kleine stukken breken om het nog droger te krijgen en stampte die goed dicht tussen de vloerbalken op de wellen en het drijfzand, waarmee ik de gebreken van de grond overwon, want het droge veen, als het nat wordt, zwelt op en zuigt zich vast tegen de vloerbalken en het drijfzand, zoals een lamprei (soort paling) zich vastzuigt aan een stuk hout. En zo legde ik die sluizen, die daar nog steeds liggen, onbeschadigd, zo moet gij de bezwaren van zulke gronden overwinnen. Sommigen, die daar in de buurt woonden, spotten daarmee, maar ik zag wel dat ze van die zaken weinig ver stand hadden, omdat ze in plaats van goed droog veen droge koemest namen, hetgeen niet de aard heeft van het veen, zowel in het opzuigen en zwellen als anderszins, omdat het veen, als het goed droog gestampt is en daarna nat wordt, weer zijn oude aard terugkrijgt en een geheel wordt, dat goed stevig aan elkaar blijft. Het houtwerk vaart er ook wel bij, doordat het vanwege het zoutgehalte van het veen niet makkelijk vergaat.
De dijkgraaf, die tevoren opdracht had gehad om de bedoelde twee sluizen te leggen in diezelfde Slikkerdijk, had - ook door onwetendheid van de timmerlieden - de bovenbalken van de sluis drie of vier voet aan eike kant over de sluis heen laten steken tot in de dijk, menende dat dit een garantie zou zijn tegen het doordrukken van die sluizen (door de dijk heen), maar het had integendeel een zeer kwalijk effect, want het gewicht van de aarde bovenop en de vierkante vorm van de dijk deed de sluis doorzakken in het midden van de sluiskoker, daarentegen hield de aarde op andere plaatsen de oren van de balken omhoog, hetgeen een ondichte dijk tot gevolg had, waardoor voormelde sluis bij een hoge vioed wegspoelde. De timmerman en de dijkgraaf waren op dat punt al even wijs. Bij het verplaatsen door mij van diezelfde sluizen, liet ik de oren afzagen en de sluis precies vierkant maken als een dobbelsteen. En zo moeten alle sluizen gelegd en gemaakt worden.